1.1.05

Het bijna ware verhaal van Cedar B. Hartley

Het eerste boek van het jaar is Het bijna ware verhaal van Cedar B. Hartley (die van plan was een ongewoon leven te leiden) van Martine Murray.
Dat is een goed begin.
Het volgende in het rijtje Australische meesterwerken, na pakweg Het tunnelkind van Sonya Hartnett en Pobby en Dingan van Ben Rice. (Dat is in willekeurige volgorde - in tegenstelling tot ongeveer elke mogelijk denkbare lijstjesmaker dezer dagen, heb ik het moeilijk met top 3-en, 25-en of 100-en.) En met Cedar is ook de volgende bijzondere zonderling aan het rijtje toegevoegd.
Waar de zandkorrels en het stof in Het tunnelkind en Pobby en Dingan genadeloos onder je nagels kruipen, is Het bijna ware verhaal van Cedar B. opvallend fris, levendig en groen. Niets van het dorre, droge landschap, schurftig van restanten vervlogen dromen, bij Murray. Wel veel zuurstof die ademruimte geeft aan de zogenaamde pijn van het zijn; sprankelende liters zuurstof die niet in het minst opborrellen uit de taal zelf.
Het bijna ware verhaal van Cedar B. Hartley is een feest om te lezen. De drang hele lappen tekst uit een verhaal over te schrijven, moet nooit zo hevig geweest zijn sinds de keer dat ik Geen wonder dat mijn moeder met de goudvissen praat van Ed Franck voor het eerst las, jaren en jaren geleden. Net als Benny heeft Cedar een magistraal opmerkingsvermogen. Ze bekijkt de dingen en de mensen om zich heen met een scherpe blik, giet hen in woorden die haarfijn zijn en rechtstreeks naar de kern gaan. Vaak schiet ze met de pijlen van de vergelijking, zoals in 'Ik voelde me net een stuk papier dat zojuist in reepjes was gescheurd en verstrooid in de wind.' (p. 180) Prachtig, maar op een heel andere manier, is ook het stukje waarin Kite toevallig een beetje blote buik toont:

Hij strekte zijn armen in de lucht en bleef even in de deuropening hangen. Ik kon zijn navel zien. En zijn buikspieren. Mijn hand wilde hem kietelen, maar ik hield hem tegen. Toen ging hij weg. (p. 197)

In de korte zinnen stokt haar adem. Geen vergelijking, geen adjectief kan hier voor de juiste woorden zorgen, maar het stille, onuitgesproken verlangen is vlijmscherp en levensecht.
In kleine, soms banale woorden schildert Cedar kleurige portretten van de werkelijkheid. Het meesterlijk eenvoudige 'Mamma heeft liever een kop koffie dan een chocoijsje. Zo gek is ze.' (p. 94) tekent de voor kinderen onbegrijpbare genoegens van volwassenen, en daarmee de gapende kloof tussen de twee. Een andere keer kan je niet anders dan glimlachen om het banale, maar ongemeen ware 'Als het fornuis dan schoon is, ziet alles er weer piekfijn uit, als een huis op tv.' (p. 16)
Wanneer het over de aard van het leven zelf gaat, balanceert Cedar een enkele keer op de slappe koord tussen waarheid en meligheid - wanneer ze in contact komt met het Het en het Leven bijvoorbeeld. Maar de dreigende klefheid wordt nog voor ze kan toeslaan onderuit gehaald door het leven met een kleine l. Het leven zoals het op elk moment van de dag aan je peutert:

Ga naar huis, zei het Leven. Ga naar huis.
Om je de waarheid te zeggen was ik nogal opgelucht omdat ik toch al honger had. Ik bleef daar nog een eerbiedig moment zitten en toen sleepte ik die koffer mee terug naar huis terwijl ik een aannemelijk verhaal probeerde te bedenken om aan mamma te vertellen.
(p. 192-193)

Dat alles wil daarom nog niet zeggen dat het leven van Cedar over rozen gaat. Haar vader is lang geleden en onder duistere omstandigheden gestorven, haar moeder werkt te hard en haar broer is maanden geleden met de noorderzon vertrokken - niets dan een spoor po√ętische maar vooral erg vage postkaarten achter zich latend. Af en toe wil ze met een grote steen naar dat hele leven gooien, 'omdat het niet een rechte hobbelloze weg is maar altijd een bocht opwerpt die je niet kunt nemen.' (p. 217)
Zo is Het bijna ware verhaal van Cedar B. Hartley. Zoals het leven.
Klein en kriebelend en allesomvattend.

Geen opmerkingen: